‘We publish what matters to us’: The New York Review of Books onder leiding van Ian Buruma

Nog suf van de jetlag loop ik door de straten van de New Yorkse West Village, langs met kerstkransen versierde brownstones, drukke delis en zijstraten die uitkijken op de Hudson-rivier. Het is dag één van mijn reis, mijn eerste keer in New York, en ik heb een afspraak met Ian Buruma, de nieuwe hoofdredacteur van The New York Review of Books. Dat ik straks zal binnenstappen in het hoofdkwartier van dit iconische tijdschrift, internationaal podium voor veel van de beste schrijvers en denkers van de afgelopen decennia – Atwood, Berlin, Brodsky, Capote, Coetzee, Didion, Nabokov, Naipaul, Sontag, to name but a few – ik kan het nog nauwelijks bevatten. Ik voel me in ieder geval op een prettige manier nietig en nerveus als ik de deur van het kantoor openduw.

 

 

De halve verdieping die het kantoor beslaat is een grote, vrij lichte ruimte met lage scheidingswanden en een ietwat synthetische geur – een modern kantoor als ieder ander, zo lijkt het. Maar hier kijken de ingelijste portretten van Review auteurs je hooghartig aan vanaf de wanden, puilen de kasten uit van boeken, en zitten redacteuren tussen nog meer boeken naar hun schermen te turen.

 

 

Buruma begroet me vriendelijk, in het Nederlands – hij is geboren en opgegroeid in Den Haag, als zoon van een Joods-Britse moeder en een Nederlandse vader. Na een studie Sinologie in Leiden woonde hij jaren in Japan, reisde als journalist door heel Azië en publiceerde een lange rij boeken over politiek, geschiedenis en cultuur. In 2005 streek hij neer in New York, waar hij als vaste auteur al sinds 1985 goed contact had met Silvers en de New York Review. Sinds hij afgelopen september officieel aantrad als hoofdredacteur (pas de tweede in het bestaan van het tijdschrift) geeft hij leiding aan zo’n twintig medewerkers – een relatief jong team waar ik me al snel bij op mijn gemak voel. De dagen daarop zal ik, naast Buruma, velen

 

van hen spreken, besprekingen bijwonen en door mappen uit het redactiearchief neuzen. Dat alles in de hoop iets van het geheim van het succes van de Review te achterhalen, en zicht te krijgen op dit nieuwe hoofdstuk in zijn geschiedenis.

 

 

Een nieuw hoofdstuk

 

De overgang van schrijver naar hoofdredacteur was voor Buruma wel even wennen: ‘Het vergt een heel ander deel van je hoofd.’ Toch bevalt de nieuwe rol goed. Ondanks zijn kalme, bescheiden manier van doen, kwijt hij zich met zichtbaar plezier en toewijding van zijn taken. Op mijn vraag of de Review met een Nederlandse hoofdredacteur dan nu ook een Nederlands tintje heeft, moet hij lachen. ‘Nee, niet per se,’ zegt hij, ‘Ik heb wellicht een bredere blik dan veel Amerikanen. En ik heb Siegfried Woldhek aangetrokken als illustrator.’ Op nummer 16 van 2017 prijkte een spotprent van de gevierde Nederlandse tekenaar. ‘Maar de Review kent onder jouw leiding dus geen poldermodel?’ ‘Nou, het is wel democratischer dan het was.’

 

Bob Silvers, die de Review leidde van de oprichting in 1963 tot zijn dood in maart 2017 (tot 2006 nog samen met medeoprichter Barbara Epstein) was in bijna alle opzichten de belichaming van het blad. Het netwerk barstensvol schrijverstalent, de geroemde stijl van de essayistiek, de internationale reputatie – het was in belangrijke mate te danken aan zijn niet-aflatende inzet, vaak wel twaalf uur per dag. Hij was de dominante kracht op de redactie: Silvers gebruikte het woordje ‘we’ niet alleen diplomatiek in de communicatie met auteurs, maar bestelde ook zijn take out-meals in de meervoudsvorm, vertelt een jonge redacteur. ‘Dat klinkt haast koninklijk,’ zeg ik. ‘Dat was het ook,’ lacht hij. Adjunct-uitgever Catherine Tice beaamt het: ‘We’re still getting used to it not being so uptight up here.’

 

 

Met Buruma waait er een nieuwe wind door de redactie; een die ruimte maakt voor openheid en uitwisseling. Hij wil een nieuwe, jongere generatie schrijvers (en daarmee lezers) aantrekken en meer aandacht voor onderwerpen als contemporaine kunst, buitenlandse literatuur en Azië. De oudgedienden op de redactie lijken zich er tegelijkertijd over te verwonderen en te verheugen. Tijdens een redactievergadering, waarbij een bibliotheekkarretje vol boeken ter bespreking naar het zitgedeelte wordt gerold, merk ik dat de nieuwe mentaliteit effect heeft. De redacteuren, veelal eind-twintigers, strooien enthousiast met suggesties, er is ruimte voor zelfspot (‘Videokunst? Niemand in de hele geschiedenis van de Review heeft het ooit gewaagd over videokunst te schrijven’) en er wordt actief gezocht naar ‘jongere’ onderwerpen (Buruma over het bespreken van de roman van een jonge Nigeriaans-Amerikaanse schrijver: ‘Just the kind of thing we should be doing’).

 

 

Humanistisch engagement

 

De sfeer mag dan veranderd zijn, Silvers’ erfenis is veilig in Buruma’s handen. Hij vertelt dat hij de redacteuren nauwelijks hoeft bij te sturen; ze hebben het vak immers allemaal van Bob geleerd. Het enige dat is veranderd aan het redactieproces is het gebruik van digitale redactietools – Bob deed zijn suggesties uitsluitend op papier, of hij dicteerde ze aan een redactie-assistent. Bladerend door het archief zie ik met eigen ogen hoe nauwkeurig en scherp die redactie was, en nog altijd is: ‘How do we know this?’, ‘What is the source?’, ‘Considered by whom?’ Soms stuit ik zelfs op overdenkingen die op stukjes papier zijn geprint, uitgeknipt en in de kantlijn geplakt, met nog eens allerlei suggesties in pen eroverheen. Boven op zo’n stapel versies vind ik vaak een geprinte e-mail waarin Silvers in de meest hoffelijke termen de auteur van de belangrijkste aanwijzingen op de hoogte bracht. Alles om de stukken zo goed mogelijk te maken, als ruwe diamanten die voorzichtig worden bijgeslepen totdat ze voldoen aan de ijzersterke standaard van de Review.

 

Vorm en doel van het blad zijn hetzelfde gebleven. Een auteur moet expertise hebben, maar, benadrukt Buruma, vooral ook helder en levendig kunnen schrijven: ‘Het gaat om kwaliteit, bedachtzaamheid en intellectueel niveau, gericht op een zo breed mogelijk publiek, niet alleen de academie.’ Het blad moet de lezer verrassen, zowel qua onderwerpkeuze als invalshoek. Assistant editor Andrew Katzenstein: ‘It is essentially a humanistic approach: what is interesting, what has value, what has weight? We publish what matters to us, instead of ticking every box.’ De Review holt niet hijgend achter de nieuwste publicaties aan, maar vertrouwt op eigen inzicht en kennis. Dat het er daardoor nogal eens wat chaotisch aan toe gaat, neemt men voor lief.

 

 

Politiek gezien lijkt de Review wel wat aan invloed te hebben ingeboet. Ik vraag de wat gereserveerde adjunct-hoofdredacteur Michael Shae, met twintig trouwe dienstjaren op zijn naam, of het uitgangspunt van het blad is veranderd nu Donald Trump aan de macht is. ‘No, I don’t think so…’ Hij denkt even na, en antwoordt dan, feller: ‘There have been times when the Review was in the political forefront, like during the Iraqi War. We’ve been slow off the ball on the Trump thing.’ Het komt waarschijnlijk door de recente overgangsperiode op de redactie, zegt hij. Andere publicaties waren er sneller bij. ‘We’re going to do more. You have to understand, we were baffled, and we still are.’ Ik vraag Buruma hoe politiek de Review volgens hem mag zijn. ‘Daar zitten geen grenzen aan’, en dat bedoelt hij zowel letterlijk als figuurlijk: hij signaleert veel journalistiek talent over de grens, in landen als Turkije en India, dat hij wil aanspreken, en ziet het als een taak om het steeds sneller wordende nieuws van bedachtzame reflectie te voorzien, voor een zo groot mogelijk publiek. ‘Die mensen zullen er altijd zijn, en behoefte hebben aan dit soort journalistiek. Je hoopt dan dat je op hen een bepaalde invloed kunt uitoefenen, en dat zij op hun beurt weer de wereld beïnvloeden.’

 

 

Nederland vs. New York

 

Je zou Buruma met recht een kosmopoliet kunnen noemen, maar dan wel een met een zekere Hollandse nuchterheid. Als ik hem vraag wat de stad New York voor het blad betekent, antwoordt hij: ‘Niet bijzonder veel, het zou ook ergens anders gemaakt kunnen worden.’ Is die internationale omgeving echt niet van belang? ‘Het zou natuurlijk moeilijk zijn om het blad vanuit een klein stadje in Kansas te maken, maar in principe kan het vanuit elke stad, zoals bijvoorbeeld Amsterdam. Maar daar heb je natuurlijk wel te maken met een kleiner taalgebied.’ Buruma prijst de Nederlandse behoefte over de eigen grenzen te kijken. Dat zie je eigenlijk vooral in kleine landen, zegt hij, en dan met name in een klein, hoogopgeleid land als Nederland. ‘Mensen hebben daar terecht het gevoel dat je bij moet houden wat er buiten je grenzen gebeurt.’ In Parijs of New York kijkt men doorgaans niet verder. ‘Ik was gisteren in Den Haag, en in de kiosk op het station lag gewoon een New York Review of Books. Dat is toch geweldig!’

 

Op mijn laatste dag neem ik met lichte weemoed afscheid van de redactie. Klaarblijkelijk ben ik me telkens als ik binnenliep iets meer thuis gaan voelen tussen de gedreven, ietwat nerdy boekenliefhebbers op hun met levende literatuurgeschiedenis overladen kantoor. Bij aankomst hadden zowel de stad als de Review ongrijpbaar geleken; nu prijs ik me gelukkig ze van nabij te hebben leren kennen.