Avonturen van een biograaf VI

De biograaf was op schrijfretraite in Berlijn - fragmenten

 

1.

Het huis is zo dicht bij waar ooit de Muur stond, dat ik alleen al om boodschappen te doen wandel van Oost- naar West-Berlijn. Dit maakt een machtig gevoel van blijdschap in me wakker. Ik verbeeld me die muur, de wachttorens, de bewapende agenten, mijn ouders die in ’86, net bij elkaar, via Checkpoint Charlie naar het oosten gingen en voor middernacht terug moesten zijn. Alle verhalen die ik erover heb gehoord en gelezen, de wanhoop, de onderdrukking, het vluchten, de armoede etc. De Oost-Berlijnse dissidente dichter Lutz Rathenow die ik interviewde als geschiedenisstudent, de geheime politie die destijds bijna dagelijks voor zijn huis stond.

En ik wandel zo van Oost naar West-Berlijn, en er is niets te zien, er zijn alleen de Berlijnse straten die alles hebben meegemaakt maar nu geen muur, geen grens meer boven zich dragen, alleen vrijheid en de open lucht.

 

2.

200 woorden getypt, zonder al te veel moeite. Het is een begin. Plotseling herinnerde ik me het harde, ondefinieerbare geluid dat me midden in de nacht wakker had gemaakt en keek uit het raam. Daar zag ik een deel van een van de bomen op de binnenplaats, een esdoorn geloof ik, of een iep, dood op de kinderkopjes liggen. Hij was in twee hoofdstammen uiteen gegroeid en één ervan was afgescheurd, waardoor nu een versplinterd stuk stam hulpeloos de lucht in stak, blank als luciferhout.

 

3.

Vandaag was een fijne dag. Dat je na zo’n doorgedraaide, paranoïde klote-nacht toch vrolijk je dag door kan komen, vraag me niet hoe ik het doe.

 

4.

Meer dan 600 woorden op papier gekregen, waar ik erg tevreden mee ben.

 

5.

Ik wandelde via de St Michaël-Kirche naar het uiterste zuidoostelijke puntje van het Museuminsel en via de oever van de Spree weer terug. De zon scheen voor het grootste gedeelte van de wandeling tussen de wolken door. Na iets meer dan een uur was ik thuis, en schreef nog twee uur, daarna at ik popcorn en maakte ik een fietstocht. Ik fietste de Köpenickerstrasse af richting het oosten en stak de Spree over bij Schlesisches Tor. Ik had me voorgenomen om een beetje door Friedrichshain te freewheelen maar kwam in een bouwput naast een gigantisch nieuw Mercedes Benz-kantoor terecht, en vervolgens in een stuk Berlijn dat bestond uit slechts grote, lelijke woonflats. De avondzon en de herfstlucht maakten veel goed. Op de een of andere manier ben ik altijd in de herfst of winter in Berlijn geweest, en dus voel ik me nu extra thuis. Dit is mijn Berlijn: fris, guur, en met dampende curryworst-straatkramen.

 

6.

Uitstellen, uitstellen, uitstellen. Ik hik-hik-hik ertegenop, het sch-sch-schrijven, het werkelijk typen van de letters die er staan moeten, het is alsof ik op een steiger sta om een duik te nemen in het koude water. Steeds denk ik dat ik ga, ik bereid me voor, tenen over de rand, nee wacht, durf niet, geen zin, wil niet, maar toch, het moet, het zal fijn zijn als ik er eenmaal ben, dat weet ik toch? En weer leun ik naar voren met mijn ogen op het glanzende wateroppervlak gericht en ik. Spring. Niet. Zal ik niet eerst boodschappen doen?

 

7.

Geen letter op papier gekregen. Wel veel gelezen. Voelt toch ook nuttig. Maar zal morgen hard aan de slag moeten om dit in te halen.

 

8.

Overmorgen alweer naar huis. Ik had hier gemakkelijk en met liefde langer kunnen blijven, maar teruggaan is ook oké. De zon schijnt weer over Berlijn, ik luister melancholische muziek en ben in wezen vrij gelukkig.

 


Column programma 'Het belang van vertalen!' 7 maart 2019

Mijn Roemenië

 

een column uitgesproken tijdens het programma 'Het belang van vertalen! De Martinus Nijhoff Vertaalprijs', georganiseerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds en SPUI25 naar aanleiding van de uitreiking van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2019 aan vertaler uit het Roemeens Jan Willem Bos

 

In zijn prachtige boek Mijn Roemenië geeft Jan Willem Bos als verklaring voor zijn liefde voor het land: “Mijn persoonlijke ontwikkeling heeft in een symbiotische relatie met Roemenië gestaan. Ik ben volwassen geworden tijdens mijn reizen naar dat land. Ik heb literatuur geleerd via de Roemeense letteren (…). Ik heb geschiedenis geleerd via de Roemeense geschiedenis.”

 

De reizen die je maakt als jongvolwassene zijn de reizen die je als mens het meeste vormen. Het zijn deze vroege kennismakingen met een andere taal en cultuur, in een levensfase waarin alles zich nog moet ontvouwen, die, mits je ervoor openstaat, een blijvende invloed kunnen hebben.

 

Ikzelf reisde als begin-twintiger niet, zoals de meeste van mijn leeftijdsgenoten, naar Frankrijk of Spanje, ofwel naar het Zuid-Westen van Europa, maar net zoals Jan Willem Bos in zijn jonge jaren naar het Zuid-Oosten. Net als hij maakte ik op jonge leeftijd kennis met de regio, hoewel uiteraard in een totaal andere periode van de geschiedenis. In navolging van Jan Willem Bos wil ik jullie kort vertellen wat Roemenië mij geleerd heeft.

 

--

 

Als kind van de hernieuwde Europese eenwording – ik werd geboren op 9 juni 1989, exact vijf maanden voor de val van de Muur – lag het oosten voor mij open als een geweldige nieuwe wereld die tegelijkertijd hetzelfde en heel anders was. Tussen mijn twintigste en mijn 26e trok ik ieder jaar oostwaarts, ofwel met vrienden in een tweedehands auto, ofwel met andere geschiedenisstudenten op studiereis. Ik zag alle Balkanlanden, van Slovenië tot Albanië, ik bezocht Roemenië, Moldavië en de Krim, en ik reisde door Rusland en Georgië. En ik zou hier willen stellen: je wordt een ander soort volwassene, en een ander soort Europeaan, als je tijdens je adolescentie naar het oosten reist in plaats van naar het westen.

 

Ik wil dat hier proberen uit te leggen door in te zoomen op één specifieke dag, een dag waaraan ik meteen moest denken toen ik gevraagd werd voor deze bijdrage: 9 juni 2010, mijn 21e verjaardag, die ik vierde in Roemenië. Ik stond destijds aan het begin van een historische studiereis met zo’n twintig andere geschiedenisstudenten, en in de 24 uur van die zomers warme 9e juni reisde ik van de Transsylvanische universiteitsstad Cluj noordwaarts naar het grensstadje Sighet, om de dag te eindigen in een sprookjesachtig gasthuis op het platteland van Maramures. Het was een symbolische dag, een samenballing van een veelheid aan Roemeense cultuur en geschiedenis, en een goed voorbeeld van de manier waarop die je blik kunnen veranderen.

 

--

 

De nacht van de 9e juni hadden we grotendeels doorgebracht in een club in Cluj, dansend als gypsy’s met Roemeense studenten. ’s Ochtends vroeg stapten we in een bus richting het noorden, en reden door een betoverend landschap: mistige valleien vol weidebloemen, dorpjes met rijkversierde houten huizen en spitse kerktorens, oude kloosters en kastelen. Mijn net 21-jarige zelf tuurde uit het raam van de bus, luisterde naar Roemeense muziek, las gedichten van Eminescu en liet zich vervoeren door de mystiek van het landschap. Ik schreef in mijn reisdagboek wat er in me opkwam:

 

“Ik leefde in gedachten in eeuwenoude zigeunerverhalen. Klappende en dansende meisjes met felgekleurde hoofddoeken en lange zwierende rokken. Stampende, swingende muziek, onophoudelijk aanzwepend. Verbeten mannen, oude pakken, stoffige herenschoenen. Beschonken vlinders en zwarte raven in een duizelig delirium van kleur en vuur.”

 

Ik geef toe, nogal hoogdravend, maar laten we zeggen: opgetild door de magie van Maramures.

 

Een heel andere, duistere kant van de Roemeense geschiedenis wachtte ons in Sighet, een Hongaarssprekend stadje aan de grens met Oekraïne. We bezochten de gevangenis waar ooit de talloze politieke gevangenen van het regime van Ceausescu werden opgesloten. Met stille, bedrukte gezichten bekeken we de krappe betonnen cellen en de gedenkplaats voor de slachtoffers van het communisme. Vervolgens liepen we naar het geboortehuis van holocaustoverlevende en Nobelprijswinnaar Elie Wiesel. Iemand droeg voor uit zijn werk, en de warme zomerzon kon de rillingen van de historische verschrikkingen niet wegnemen.

 

Terug in de bus reden we verder door de Oostelijke Karpaten. Onze docent las, hoe kon het ook anders, voor uit Bram Stokers Dracula, via de krakerige busmicrofoon en met een zo onheilspellend mogelijke stem. Tegen de avond kwamen we aan bij een geïsoleerd gelegen gasthuis in de heuvels, waar wij, een gezelschap zweterige studenten in gekreukte t-shirts, werden verwelkomd door in sneeuwwitte bloezen en kleurige schorten gestoken Roemenen die ons overlaadden met muziek, brood en drank. We namen plaats aan lange houten tafels waarop bergen eten en kannen palinka (pruimenjenever) stonden opgediend en laafden ons aan een gastvrijheid, een warmte, een feest waar ik als Westerling nederig van werd. Na het diner vroeg de eigenaresse van het gasthuis of ik haar traditionele Hongaars-Roemeense kostuum aan wilde passen. Ze hielp me in drie rokken, een schort en een prachtig geborduurd lijfje, ik knoopte een hoofddoek om en danste pirouettes over de binnenplaats.

 

--

 

Wat heeft deze ene dag, mijn Roemeense verjaardag, mij meegegeven? Bewondering voor de grote rijkdom en diversiteit van de Roemeense cultuur. Een diep besef van de brute slagkracht van de geschiedenis, de gevaren van onderdrukking en dictatuur en de veerkracht van het Roemeense volk. Een hernieuwde waardering voor vrijheid, maar ook voor traditie. Eigenzinnigheid en levenslust. En een gepaste matiging van mijn West-Europese ego.

 

Willen we dat het IJzeren Gordijn, dat nog steeds als een schim tussen de twee helften van Europa hangt, werkelijk achterblijft in de coulissen van de geschiedenis, waar het thuishoort, dan moeten we onze blikken openlijk en nieuwsgierig richten op het oosten. Als dat niet is door te reizen, dan wel door te lezen – en daarvoor zijn goede vertalers als Jan Willem Bos onmisbaar; mensen die zich onderdompelen in een andere cultuur en de parels voor ons naar boven duiken.

 

 

Download
My Romania - English version
Column Roemenie maart 2019 Maite K - EN.
Adobe Acrobat document 60.0 KB

Avonturen van een biograaf V

Ik liep, voor het eerst, naar de Van Lennepweg in Scheveningen, waar Geertruida haar laatste levensjaren (van 1908 tot 1920) doorbracht. Ik nam tramlijn 9 – een lijn die net zo ver teruggaat als zij, destijds pendelend tussen het Haagse Plein en het Kurhaus.

 

Ik stapte uit bij Madurodam, ‘miniature city’, maar liet de ministad links liggen en liep omhoog naar de statige villawijk op ware grootte, stammend uit het begin van de twintigste eeuw en gelegen tussen parken en duinen. Ik vond de Van Lennepweg, die in een bocht naar links de heuvel op krulde, met aan weerszijden prachtige vrijstaande huizen met minstens drie verdiepingen, torentjes, ruime balkons, serres en sierlijke details in het houtsnijwerk. Hier woonden een eeuw geleden sommige van de rijkste burgers van Den Haag. Nu zijn er naast rijke burgers vooral veel ambassades gevestigd.

 

Geertruida’s man Albert Kapteyn, die een fortuin had vergaard als directeur van de Westinghouse Air Brake Company, een bedrijf dat zo’n beetje de hele Westerse wereld van superieure pneumatische treinremmen voorzag, had in 1908 op de hoek van de Van Lennepweg en de Borweg een grote villa laten bouwen. Het huis was vanbinnen en vanbuiten ‘geheel naar eigen smaak’; ‘het is een huis bewoond door een persoonlijkheid’ concludeerde de Hollandsche Revue in 1914. Correctie van mijn kant: twee persoonlijkheden. Geertruida ontving er in haar salon mensen als Berlage, Domela Nieuwenhuis en Clara Wichmann, om met hen over de toekomst van mens en maatschappij te discussiëren. Zij had dus twaalf jaar in haar lange rokken over de Van Lennepweg geflaneerd, omhoog richting zee, omlaag richting de de tramhalte en het kanaal om de stad in te gaan, of de Borweg af op weg naar de duinen voor een wandeling. Nu liep ik er, in mijn dikke matrasjas, met een knalrode muts op en mijn smartphonecamera in de aanslag.

 

Ik volgde de weg omhoog, totdat ik bij de kruising met de Borweg kwam. Ik wist dat de villa er niet meer stond, maar was benieuwd of de plek nog enigszins te herleiden zou zijn naar die tijd, honderd jaar geleden.

 

Op de kavel van het huis van de Kapteyns stond nu de Poolse ambassade, naar mijn inschatting gebouwd in de jaren tachtig, en zo’n beetje de lelijkste ambassade die ik ooit heb gezien. Een versleten knikker tussen de parels, een rotte tand in een blinkend gebit. Het eigenzinnige huis van de Kapteyns was spoorloos opgegaan in de geschiedenis. Gelukkig had de rest van de Van Lennepweg nog wel de allure van het fin de siècle.

 

Ik liep terug naar de tram en reed mee naar het Kurhaus, waar ik al mijmerend een kopje thee dronk, zoals Geertruida vast ook had gedaan.


Lola

Ze strijkt langs mijn been en slaat haar ogen naar me op. ‘Miauw.' Ik lach vertederd, pak de emmer brokjes uit het keukenkastje en schep met het porseleinen kopje één dagrantsoen in haar bakje. Enthousiast duwt ze haar kop nogmaals zijwaarts tegen mijn enkel, staart omhoog. Ik pak haar op. Ze laat zich luid spinnend vasthouden, vleit zich tegen me aan en laat zich dan weer achterover in mijn armen vallen. Haar snoet is nat geworden van het spinnen en glinstert in het licht van de keukenlamp. Ik observeer haar geamuseerd en denk bij mezelf: twaalf jaar. Twaalf jaar is ze, en elf jaar bij mij. De deken van wit haar die ze op mijn zwarte shirt achterlaat neem ik voor lief.

 

René Descartes zag dieren als kleine machines, zonder een ziel, want die was slechts voorbehouden aan mensen. Nu had Descartes het wel vaker mis – dat harde onderscheid tussen lichaam en geest heeft ons ook weinig goed gedaan – en hierbij slaat hij wederom een flater. Dieren machines? Niets is minder waar. René heeft duidelijk nooit een huisdier gehad. Wie jaren met een dier leeft weet dat dieren net zo nukkig, blij, in zichzelf gekeerd of losgeslagen kunnen zijn als mensen, ieder individueel dier op zijn eigen manier. Zelfs Bonne, die nog maar een jaar de eer heeft om met Lola samen te wonen, merkte laatst op, toen ik thuiskwam na een dag archief: ‘Lola zat niet zo lekker in haar vel vandaag.’ Ik zag haar zitten in de tuin en herkende meteen het chagrijn. Maar net zo goed kan ze de hele dag lusteloos in een doos liggend de tijd verdrijven, of kopjes gevend en tevreden spinnend door het huis lopen, of is ze plotseling uren op pad, in de gang achter het huis en op muurtjes en daken. En bij elk van die karakteristieke gemoedstoestanden hoort een bepaalde gezichtsuitdrukking, een stand van de ogen die soms zo treffend is dat je in lachen uitbarst (want in het geval van Lola altijd in combinatie met die geprononceerde pindakaassnor).

 

Ze heeft daarnaast zelfs gezichtsuitdrukkingen voor gemoedstoestanden die geheel buiten haar belevingswereld liggen. Zo heb ik haar eens op een foto vastgelegd met een serieuze blik, ogen iets toegeknepen en leunend op haar rechterpoot, en je zou er donder op zeggen dat dit de blik is van de auteur van een groots oeuvre, zoveel intellectuele vanzelfsprekendheid straalt er vanaf. Maar ik geef toe, dat is projectie. Waarschijnlijk was ze in werkelijkheid gewoon een beetje slaperig, maar toch aandachtig, omdat er net een vliegje langs vloog, of omdat haar baasje voor haar op de grond lag met een groot zwart apparaat voor haar gezicht.

 

In ieder geval is het voor mij zonneklaar dat dieren, katten in het bijzonder, een geheel eigen persoonlijkheid en individueel gevoelsleven bezitten, met bijbehorende tics en voorkeuren. Zo ken ik een kater, Elvis genaamd, die na het geven van een kopje het liefst met zijn linker achterpoot op de punt van je schoen blijft staan, kennelijk om zich ervan te vergewissen dat de gelegde connectie nog even fysiek aanhoudt, of misschien is het een blijk van zijn verlatingsangst, of beide. De stokoude poes van een vriendin, die ik ken onder de naam José, maar die anderen Katjang, Kattie of Gizmo schijnen te noemen, ligt het liefst urenlang over haar baasjes heen te dweilen, vast in slaap, terwijl Lola zich opgelaten lijkt te voelen als ze zich op de benen of buik van een mens begeeft, onzekere stapjes makend en zich dan snel terugtrekkend naar betrouwbaarder terrein. Ze wil gedragen worden of ze wil naast je zitten, maar op je, dat gaat te ver. Dat doet me dan weer denken aan Ahmed, de zwarte kat van mijn ouders – R.I.P. – die weigerde uit een bakje te drinken; hij bliefde zijn water alleen rechtstreeks uit de kraan. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

Het was op het moment dat de vader van Jan Wolkers, tijdens het begraven van de lapjeskat die de kleine Jan zo vaak geaaid had, zei dat dieren niet in de hemel komen omdat ze geen ziel hebben, dat Jan definitief van zijn geloof viel. ‘Voorgoed knapte er iets in me. (…) Dieren geen ziel! Dan hadden ze nooit goed in de ogen van mijn kat gekeken.’ Zo is het.


Avonturen van een biograaf IV

 George Hendrik Breitner, Twee vrouwen op de Dam, Amsterdam, 1901–1908
George Hendrik Breitner, Twee vrouwen op de Dam, Amsterdam, 1901–1908

Stadsarchief Amsterdam

Ik zit hier bijna elke dag en lees brieven. Brieven van de jonge Martha van Vloten aan Geertruida, haar beste vriendin. Het zijn kantjes vol kriebelige zinnen, die zich vaak moeilijk laten ontcijferen, maar het is geweldig materiaal voor mijn boek: een correspondentie tussen twee negentiende-eeuwse hartsvriendinnen, twintig jaar oud, die van dezelfde dingen houden: lezen, lange wandelingen maken, in hun dagboek schrijven en de wereld om zich heen observeren. Beide slim, nieuwsgierig en verknocht aan hun vrijheid, vastbesloten om te blijven leren, zich te blijven ontwikkelen. Martha schrijft op 31 juli 1876 aan Geertruida, over haar kamer, waar ze de deur op slot doet en tevreden om zich heen kijkt alvorens ze in haar boeken gaat lezen: 'Het is zoo prettig om iets te hebben wat zoo helemaal van jezelf is, en waar niemand eenigen invloed op heeft.’

Een halve eeuw voor A room of one's own.

 

--

 

Terug in mijn eigen kamer. Het is niet makkelijk om te schrijven over een boek dat in de maak is, een onderzoek dat loopt. Ik lees, ik ontdek, ik schraap gegevens bij elkaar, ik schrijf de eerste, ruwe zinnen, hoopvolle passages waarvan nog maar moet blijken of ze toekomstbestendig zijn, en vervolgens lees en ontdek ik andere dingen, die al het voorgaande in een ander daglicht kunnen stellen, en almaar blijft het verhaal van dit ene leven zich langzaam, met horten en stoten, maar onophoudelijk vormen in mijn hoofd. Er is twijfel, wikken, wegen, over de specifieke invulling van de lege bladzijden, maar nooit denk ik dat dit verhaal geen bestaansrecht heeft, sterker nog, ik raak hoe langer hoe meer overtuigd van de waarde ervan. En tegelijkertijd verbaas ik me, over mezelf en dit verbeten voortwerken, dit opdreggen van verzonken geschiedenis, zonder een spoor van twijfel. Niet dat ik het niet kan uitleggen - waarom ik het doe - vraag het me, en ik zal het je uitleggen, iedere keer op een andere manier. Maar tegelijkertijd zie ik mezelf elke dag weer dat archief in en uit lopen, met kleine of grote voldoening, soms gelukkig, en ik verbaas me, op een prettige manier, een beetje zoals een ouder zich moet verbazen over de opmerkelijke hobby van zijn of haar kind. Dus dit vind jij leuk? En belangrijk? Ja. Dit is het. Dit is het en ik doe het gewoon.


De verschillen en overeenkomsten tussen een zwembad en een archief

 

1. Een zwembad is heel nat. Een archief is heel droog. Dit is misschien wel het grootste verschil tussen een zwembad en een archief.

 

2. In het zwembad vind je water, maar ook takjes, vliegjes en andere dingen die er per ongeluk in verzeild zijn geraakt. In het archief zijn deze elementen volkomen afwezig. Sterker nog, de gebruikers van het archief doen hun uiterste best om alle mogelijke vuiltjes en beestjes uit het archief weg te houden. Wat dat betreft lijken ze erg op de gebruikers van het zwembad. Zowel archief- als zwembadgebruikers achten het weghouden van vuiltjes en beestjes van het opperste belang. De ruimte die het archief dan wel het zwembad behelst dient vrij te blijven van vreemde smetten. Dit is misschien wel de grootste overeenkomst tussen het archief en het zwembad.

 

3. De twee belangrijkste doelstellingen van het zwembad zijn a) plezier en b) verkoeling. Het is de overtuiging van de meeste mensen – uitzonderingen daargelaten – dat je voor plezier doorgaans niet bij een archief hoeft aan te kloppen. Voor verkoeling echter ben je ook bij het archief aan het juiste adres. Vanwege de benodigde klimaatregulatie is het er vaak stervenskoud.

 

4. De twee belangrijkste doelstellingen van het archief zijn a) het verzamelen en beheren van collecties historisch materiaal en b) het toegankelijk maken van dit materiaal voor onderzoekers. Dit heeft werkelijk niets met een zwembad te maken.

 

5. In het zwembad zwemt men, of men watertrappelt, duikt of drijft. Van deze activiteiten is in het archief geen sprake; archiefbezoekers zitten meestal gewoon op een stoel. Toch vinden we enkele overeenkomsten in zegswijzen die zowel op het zwembad als op het archief van toepassing zijn. Enkele voorbeelden: ‘erin duiken’, ‘tot de bodem gaan’ en ‘verzuipen’ (in het water dan wel het materiaal).

 

6. In het archief bestudeert men oude bronnen teneinde meer te weten te komen over specifieke onderwerpen uit de geschiedenis. In het zwembad bestudeert men doorgaans weinig; hooguit de lucht, de omgeving of de eigen langdurig aan water blootgestelde en daardoor rimpelig geworden vingers. Beide vormen van bestudering kunnen tot ontdekkingen leiden, zij het ontdekkingen van zeer uiteenlopende aard. Over het verloop van de Tweede Wereldoorlog is in het zwembad zelden een belangrijke ontdekking gedaan.

 

7. Ook als het aankomt op de uitdossing van de zwembad- dan wel archiefbezoekers zijn de verschillen groot. Zwemmers dragen doorgaans vrij weinig; zij houden van naaktheid, en bedekken slechts hun geslachtsdelen en borsten met kleine lapjes kleding. Daarnaast brengen zij vaak attributen mee naar het zwembad, zoals een bal, een onderwaterbrilletje of een gigantische opblaasbare eenhoorn. Bij archiefgebruikers zie je dit soort attributen niet; hun instrumentarium komt vaak neer op een laptop, een potlood en een leesbril, dingen die in het zwembad van weinig nut zouden zijn. Archiefgebruikers houden niet van naaktheid. Zij dragen meer kleding, en dat is maar goed ook.

 

8. Tenslotte verdient de sociaalpsychologische toestand, die de zwembad- dan wel archiefbezoeker kenmerkt, nog enige aandacht, uiteraard in vergelijkend perspectief. Er is bij beide menssoorten sprake van een zwakke tot zeer sterke onderlinge solidariteit. Men maakt tegelijkertijd gebruik van het water dan wel het bronnenmateriaal, en dat schept een band. Toch is die band doorgaans sterker bij de gebruikers van het zwembad. Archiefgebruikers komen zelden in groepen, zoals zwembadgebruikers plachten te doen. Ook kunnen archiefgebruikers in tegenstelling tot zwembadgebruikers niet vaak op uitbundigheid, geestigheid of promiscuïteit worden betrapt. Toch schuilt er meer achter de archiefgebruiker dan de beeldvorming ons doet geloven: een archiefgebruiker kan soms zomaar óók een zwembadgebruiker zijn.

 


Avonturen van een biograaf III

Na twee mislukte pogingen (poging 1: dicht, poging 2: te laat om nog iets aan te kunnen vragen) toog ik vanochtend voor de derde maal naar Bijzondere Collecties om in de archieven naar brieven van, naar en over Geertruida te zoeken. Ik opende voorzichtig de papieren beschermmappen van mijn aanvragen en tuurde enige tijd naar vier briefjes van verschillend formaat waarop Martha van Vloten, dochter van de beruchte polemist (en geweldige vader) Johannes van Vloten, tevens de latere vrouw van Tachtiger Frederik van Eeden, omstreeks 1880 onleesbare tekens had gekrabbeld aan haar zus, Betsy. Ik kon er werkelijk geen chocola van maken.

 

Om meer informatie over het Van Vloten- en Tachtigers-archief in te winnen sprak ik met de collectiebeheerder, een zachtaardige man in een kantoortje waarin, zo leek het, een ondefinieerbare collectie boeken en documenten aan elke vorm van beheer was ontsnapt. “Sorry voor de chaos,” zei hij verontschuldigend, waarop ik welwillend antwoordde “Ach zo ziet mijn werkkamer er ook uit,” (maar zelfs ik krijg mijn werkplek niet zó stormachtig rommelig). “Van mensen met een opgeruimd bureau word ik altijd achterdochtig,” zei de collectiebeheerder en ik mocht hem meteen graag.

 

De collectiebeheerder en ik bleken wat de mannen van Tachtig betreft geheel op één lijn te zitten. “Het is misschien niet de bedoeling, maar je krijgt als collectiebeheerder na een aantal jaren toch meer eerbied voor de een dan voor de ander,” zei de collectiebeheerder enigszins verlegen. Frederik van Eeden vond hij inmiddels een zelfingenomen proleet met een Messias-complex. “Een beetje zoals Lodewijk van Deyssel?” vroeg ik, “Ja, maar dan zonder humor.” Hoog tijd voor een boek over de interessante vrouwen in de schaduw van Tachtig, vond hij ook. “Kitty van Vloten had bijvoorbeeld een geweldig literair talent, maar wat hoor je nou over haar? Het gaat altijd maar over Albert Verwey.” Een man naar mijn hart.

 

Terug in de studiezaal wierp ik opnieuw een blik op de brieven van Martha, en nu lukte het wel: de zwarte inktsliertjes veranderden als bij toverslag in een herkenbaar schrift. “Je moet gaan naar de Cristal-Palace Bazar Oxford-Street vlak bij Regent circus,” was de geheimzinnige boodschap, “daar zit een juffrouw met potteries die in ’t voorjaar van Truus –“ Truus!! Dat is Geertruida!

 

In drie van de vier brieven die ik redelijk willekeurig had geselecteerd uit de enorme collectie werd Truus genoemd. Een geweldige vondst. Ik bestelde meer brieven en deed de een na de andere ontdekking – maar daar zeg ik verder niks over, want een biograaf moet natuurlijk niet alles verklappen.

 


Avonturen van een biograaf II

Het grootste deel van de dag spendeerde ik in de Janskerk. Niet voor religieuze bezigheden maar voor archiefonderzoek; het Noord-Hollands Archief is er gevestigd. Ik staarde lange tijd naar verschillende onleesbare krabbeltjes in het Haarlemse bevolkingsregister. Het lukte me om het doorgestreepte "Grzxzhnnuald" te ontcijferen ("Groote Markt"), dat gaf me grote voldoening. De dienstdoende archivaris, Robbert, beantwoordde geduldig al mijn vragen, maar raadde me af om de kadasters in te duiken: "Dat is geen gevalletje adres intypen en holadiejee," sprak hij ernstig. Dus stortte ik me eerst maar eens op de oude Haarlemse adresboeken. Ik ontdekte dat Geertruida niet op één maar op drie verschillende adressen in Haarlem woonde, en liep toen in het zonnetje langs alle drie. Onderweg verbaasde ik me er samen met enkele toeristen over hoe mooi Haarlem eigenlijk is.

 

Op een van de adressen aan een pittoreske smalle gracht was nu een glas-in-loodbedrijfje gevestigd. Ik liep naar binnen en maakte een praatje met de eigenaar, die me wat over het pand vertelde en toen opgewekt doorverwees naar ene Frits "op de hoek, het derde huis, je herkent het aan de prullaria in de etalage, oude borden enzo. Frits had daar vroeger een drukkerij." De glas-in-loodman omschreef Frits als volgt: "Hij is tachtig maar lijkt veel jonger, een lange man met grijs haar [maakt een piekhaar-gebaar] die zijn hele leven al in deze straat woont en alles weet." "Ook van de negentiende eeuw?" vroeg ik vertwijfeld. "Oef, dat is wel heel lang geleden..." zei de glasman peinzend, met een blik alsof hij in een hele diepe, duistere put keek, "maar Frits weet echt heel veel."

 

Deze woorden maakten mij toch wel nieuwsgierig en ik besloot een kijkje te nemen bij Frits' huis. Het zag er  indrukwekkender uit dan ik dacht: een mooi onderhouden grachtenpand met een etalage die aandachtig was ingericht met stijlvolle fifties-objecten. Binnen stonden massieve oude drukmachines. Er was niemand te zien. En of Frits nou echt iets wist over deze straat rond 1870? Ik betwijfelde het, en liep verder.

 

Even later bleef ik midden op straat staan. Wat nou als Frits een geweldige man is? bedacht ik. Een eigenzinnige oude drukker vol verhalen die ik nooit meer zal vergeten? Ik heb de perfecte smoes om hem te kunnen spreken, en ik laat deze kans gewoon liggen? Ach nee, dit is belachelijk, ik ga toch geen tachtiger vragen naar de negentiende eeuw... Opnieuw begon ik te lopen, en opnieuw bleef ik staan. Nee, ik kon dit niet laten gaan. Een ontmoeting met deze Frits zou een prachtig verhaal kunnen opleveren.

 

Ik draaide me om, liep terug en belde aan. Een oude vrouw deed open. "Ja?" vroeg ze, een beetje verbaasd. "Eh, woont Frits hier?" Anticlimax: Frits was niet thuis, hij was uit fietsen. De hele middag, tot minstens 16:30 uur, wanneer ik alweer onderweg naar huis zou zijn.

 

Frits zal waarschijnlijk altijd een luchtspiegeling blijven, een mythische figuur uit mijn eigen verbeelding. Het had zo mooi kunnen zijn.


Avonturen van een biograaf I

Ik ben begonnen aan mijn biografie van de vrouw met de mooiste naam ooit: Geertruida Agneta Kapteyn-Muysken. Dit bracht mij de afgelopen weken twee keer naar haar geboortedorp Hillegom, waar ik werd verwelkomd door de Stichting Vrienden van Oud Hillegom, die zich elke dinsdagavond in de tl-verlichte zolder van de Maartenskerk over allerlei oude Hillegom-documenten buigen. Alphons de huis-genealoog duikelde verrassende informatie voor me op in zijn genealogische archiefsoftware, hij vertelde me honderduit over de burgemeesters van Hillegom (Geertruida was de dertiende dochter van burgemeester Muysken) én hij nam me mee naar haar geboortehuis, dat nog bleek te bestaan! (Er zat nu een makelaarskantoor en de makelaar vertelde me dat niemand minder dan Lasse Schöne in Hillegom komt wonen! Verder wist hij niets). In de Readshop in de Hoofdstraat kocht ik de Canon van Hillegom, ik maakte een wandeling langs de Oude Beek en ontdekte dat de Beatles hun allereerste Nederlandse concert niet in Blokker gaven, maar in Hillegom!! En niemand die dat weet het gaat altijd over Blokker. Omdat ik drie uur tijd moest doden voordat ik weer naar de zolder van de Stichting Vrienden van Oud Hillegom kon en ik zo snel geen fijn restaurant kon vinden nam ik plaats in pannenkoekenhuis 'De Soete Suikerbol' en at een enorme pannenkoek spek/kaas. De andere aanwezigen in het restaurant waren twaalf oma's en een jong gezinnetje met een jarig kind. Toen de oma's ontdekten dat er in hun nabijheid een jong meisje jarig was barstten ze in luid gezang uit en zetten de jarige job op een stoel midden in het pannenkoekenhuis. Het meisje onderging dit alles gelaten en stormde na afloop met een geshockeerd gezicht naar de wc.

 

Tot zover de eerste lichtvoetige beschrijving van mijn avonturen als biograaf, binnenkort meer.


Camera

Ik had bijna een jaar niets gefotografeerd. Mijn geliefde analoge camera was stuk gegaan. Een gemakkelijk te verhelpen defect, maar ik nam niet de moeite om hem te laten maken. Eerst was ik te druk, en daarna, door al dat keiharde werken, te moe. Drukte en vermoeidheid – typische oorzaken van het niet meer zien, laat staan vastleggen van de mooie dingen om je heen.

 

Omdat ik fysiek en mentaal nogal uitgeput was, moest ik rust houden. R. U. S. T. Ik ben nu een groot fan van rust – je kunt heerlijk om je heen kijken, in je huis rommelen, hier en daar een boek lezen en je gedachten een beetje laten voortkabbelen – maar het kostte lange tijd voordat ik dat geleerd had.

 

Toen de vermoeidheid langzamerhand minder werd liet ik de camera achter in de veilige handen van mijn zusje, fotografe, die hem liet repareren. De lens werd vervangen, de body schoongemaakt. Op mijn verjaardag gaf ze hem aan me terug, in cadeauverpakking, met een nieuwe beschermhoes erbij.

 

Toch moest ik de moed verzamelen hem weer ter hand te nemen. Hoewel het nu beter ging, had de uitputting me flink uit het veld geslagen. Ik was op mijn slechtste momenten allerlei eigenschappen kwijtgeraakt die onherroepelijk met mijn camera verbonden waren – optimisme, spontaniteit, moed, reislust – en ik werd nog regelmatig in beslag genomen door de irrationele angst nooit meer mijn oude veerkracht terug te krijgen.

 

Afgelopen weekend nam ik hem voor het eerst weer mee, mijn camera, op een simpel lang weekend met mijn lief in de Achterhoek, waar we een huisje op het erf van een boerderij midden in de natuur hadden gehuurd. Het was heerlijk nazomerweer, we waren in opperbeste stemming en er was prachtig licht: warme middagzon, gouden avondlicht en zilvergrijze ochtendmist. Ik maakte foto’s van de velden, de bossen, het water, mijn vriend en onze Fiat Panda. Ik schoot portretten van de stokoude dahliakweker die we bij toeval ontmoetten op zijn wilde bloemenveld en de markante wijnmaker tussen de krullende wijnranken met volrijpe druiventrossen. En ik maakte met de zelfontspanner een foto van ons twee zoenend op een hek in de weilanden, ik in mijn oversized oranje wollen trui en hij in zijn karmozijnrode denimjas, kleuren die fantastisch zouden contrasteren met al het frisse groen om ons heen, een foto die ik zou koesteren en misschien wel in ons nieuwe huis zou ophangen.

 

Toen ik thuiskwam ging ik meteen aan de slag met het zoeken van een goede fotostudio voor het ontwikkelen en afdrukken van de foto’s. Ik maakte het rolletje vol – ik had nog precies één foto over – met de gebruikelijke foto van mijn kat. En nog een foto van mijn kat. En nog een van de tuin. En nog een van het huis.

 

Hier klopte iets niet. Het rolletje raakte maar niet vol. Even later staarde ik in mijn opengeklikte camera. Niets. Er zat helemaal geen rolletje in.

 

Fuck! Verbijsterd staarde ik in het lege toestel. Ik dacht terug aan het weekend. Niets. Elke keer als ik dacht dat ik een foto maakte, deed ik in werkelijkheid niets. Ja, ik keek door een lens en drukte op een knopje. Maar het mechaniekje van mijn camera liet het beeld gewoon vervliegen, in plaats van het te vangen op microfilm.

 

Shit klote, vloekte ik, wat eeuwig zonde, wat ongelofelijk dom van mezelf!

 

Met terugwerkende kracht had ik me nu eigenlijk heel vreemd gedragen dit weekend. Ik zag mezelf steeds heel omzichtig mijn camera positioneren en in het niets klikken, hulpeloos in het licht van de vergankelijkheid van alles wat ik dacht vast te kunnen houden.

 

Een sterk gevoel van verlies bekroop me. Gek eigenlijk – wat was ik dan verloren? Niet het leuke weekend, niet het mooie licht of de avonturen – die had ik immers nog steeds, in mijn herinnering.

 

En toch – de herinnering is feilbaar, helemaal zonder foto’s. Een foto is als een routewijzer voor je geheugen; het beeld roept niet alleen de herinnering van dat moment in je op, maar stuurt je vaak ook weer andere richtingen op, naar wat daarvoor kwam en daarna. Nu was ik mijn routewijzers kwijt en op de grilligheid van mijn geheugen aangewezen. Spoedig zouden bepaalde beelden vervagen, de volgorde zou in de war raken, andere dingen zouden bovendrijven, en over dat alles had ik nauwelijks controle.

 

Zoals altijd eigenlijk.

 

En wie zegt dat foto’s betrouwbare routewijzers zijn?

 

Zo bezien was mijn geklik ook niet helemaal nutteloos (ja ik moet hier toch iets goeds uit halen verdomme!). Niet nutteloos want ik heb plezier gehad, ik heb om me heen gekeken en mooie dingen gezien, écht gezien. En dat is van alles toch het belangrijkste. Zelf zien, reizen, durven, kijken.

 

Maar volgende keer ff een rolletje in je camera doen!!!

Ik bij het huisje (een van de weinige digitale foto's), rechts op het bankje mijn camera
Ik bij het huisje (een van de weinige digitale foto's), rechts op het bankje mijn camera

Gebaar

Gustav Seitz (1906 - 1969) - Käthe Kollwitz
Gustav Seitz (1906 - 1969) - Käthe Kollwitz

Op 23 september sprak de Nigeriaans-Amerikaanse schrijver, fotograaf en kunsthistoricus Teju Cole de jaarlijkse SPUI25-lezing uit. Ik was diep onder de indruk. Cole sprak over de schoonheid van de kunst van het West-Afrikaanse Yoruba-volk. Hij toonde bovenstaande sculptuur van een Ooni en zijn Olori. Hij zei: "Wat dit beeld zijn doordringende kracht geeft is het gebaar, zichtbaar aan de achterzijde, van de voet van de Ooni bij de enkel van zijn vrouw. Ik ben geroerd door dit eenvoudige tafereel (...). Er gaat uitmuntendheid schuil in dit soort subtiele gebaren. Het is iets universeel menselijks, iets waarom we naar kunst kijken."

 

Twee weken later wandel ik door de winderige beeldentuin van Museum Beelden Aan Zee in Scheveningen. Midden op een van de betonnen terrassen staat een eenvoudige sculptuur van een oude, gedrongen vrouw die voor zich uit tuurt, zittend op een bankje. Aanvankelijk doet het beeld me weinig, tot ik de achterkant bekijk. De linkerhand van de vrouw rust op de smalle koffer naast haar, en haar rechter houdt ze op de rug, opmerkelijk genoeg met de handpalm naar buiten gekeerd. De hand breekt met het stugge uiterlijk van de vrouw, hij zegt: ga je mee, of, hou me vast. Een intiem gebaar.

 

In mijn hoofd verbind ik deze hand met het voetje van de veertiende-eeuwse Ooni en ik begrijp in één keer wat Cole bedoelt met 'het idee dat de maximale intensiteit van de menselijke culturele ervaring in alle menselijke samenlevingen voorhanden is'. Het is nog mooier nu ik het zie.

 


Lanzarote II

Teguise, Lanzarote, januari 2016
Teguise, Lanzarote, januari 2016

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Zondag 17 januari 2016 - de markt in Teguise

 

Waar ik eerder weg was van de Saramagoiaanse schoonheid van dit eiland, werd nu de Houellebecquiaanse nachtmerrie werkelijkheid. Hordes dikke, blanke toeristen sjokten door de oude hoofdstad, om vermaakt te worden door een levensgroot op de hordes gericht toneelstuk met traditionele producten en folkloristische muziek en dans. De toeristen waren van een ongekende lelijkheid. Vooral veel Engelsen, vettig bleek of vlekkerig verbrand, die zodra ze hun platte achterwerk op het zitvlak van de terrasstoel hadden geplant met een nietsontziende doelgerichtheid pints bier bestelden en leegdronken. Houellebecq in real life. Hij constateerde in zijn novelle Lanzarote (2003) al dat vooral busladingen Engelsen dit eiland bezochten - Engelsen die het helemaal niet hinderlijk vinden om een landgenoot tegen te komen (daar kun je immers bier mee drinken), in tegenstelling tot de ijdele Fransen (en Nederlanders). Teguise - zo'n mooie naam, maar we hadden er op elke andere dag heen moeten gaan dan zondag marktdag. 


Saudade

Porto april 2016
Porto april 2016

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------  

De mannen laten hun hoofden hangen. Het zijn Portugese mannen, hun zorgen zijn mij onbekend. Ik kijk slechts vanaf het plein van de basiliek naar beneden.

 

De warme lentezon kan hen weinig schelen, noch schoonheid van de stad - die zie ik alleen, omdat ik kijk met vreemde ogen. 

 

Is dit saudade, de typisch Portugese melancholie? 

 

Fernando Pessoa schreef: 'Saudades, alleen de Portugezen kunnen het voelen, want zij hebben een woord om te zeggen dat ze het voelen.'

 

Het woord is niet genoeg, je moet er Portugees voor zijn om het te begrijpen. 

 


Déluge

Barthélémy Toguo, onderdeel van 'Déluge', Carré Sainte Anne, Montpellier augustus 2016
Barthélémy Toguo, onderdeel van 'Déluge', Carré Sainte Anne, Montpellier augustus 2016

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Aan het begin van de hete middag in Montpellier bezocht ik de tentoonstelling van de Finse fotografe Elina Brotherus. De titel van de tentoonstelling was 'Carpe Fucking Diem'. Briljant, dacht ik. Zelfspot, tegendraadsheid, maatschappijkritiek, stoere vrouwen - alles wat ik leuk vind. 

 

Maar het viel tegen. De foto's, veelal zelfportretten, maakten me moedeloos. De fotografe in de sneeuw, de fotografe zwemt in een meer, de fotografe ligt op bed, de fotografe huilt vanwege liefdesverdriet. Daar stond ze, als een vrouwelijke Casper David Friedrich op een berg, en uit haar werk sprak dezelfde 19e-eeuwse obsessie voor het 'zelf' van de kunstenaar. What's new? Er was geen humor, geen knipoog, geen commentaar op de hedendaagse selfiecultuur, het was niets meer en niets minder dan een voortzetting van de aloude artistieke navelstaarderij. Saai. Teleurgesteld stapte ik terug de zon in.

 

Even later ging ik een andere expositieruimte binnen: de Carré Sainte Anne, een neogotische kerk. In de kerk was alles anders. Rijen vurenhouten doodskisten strekten zich uit in het schip. Hoog aan de pilaren hingen plastic emmers in rood, geel, blauw en groen gevuld met plantjes. En aan de muren kunstwerken zo kraakhelder en rauw, het leken net gigantische lichtbakken met tekeningen van de duivel zelf. ‘Déluge’, was de titel van de tentoonstelling, ‘Zondvloed’.

 

Hier was de Kameroense kunstenaar Barthélémy Toguo aan het werk. De waterverfbeelden haakten zich vast in mijn netvlies. Ze spraken van rampen, geweld, pijn, wanhoop en verdoemenis. Ze vulden de kerk met actuele oerbeelden. Mannen met AK-47s, het aangespoelde jongetje Alan, vrouwen in boerka, mensen in te kleine bootjes, schedels, grijpende handen, slangen, angstige olifanten en een miniheksje - ze leken allemaal deel uit te maken van hetzelfde verhaal, tegelijk 21e-eeuws en oudtestamentisch.

 

Terwijl ik als betoverd in het rond keek, vroeg ik me af: waarom toch die vrolijk gekleurde plastic emmertjes met planten hoog aan de pilaren? Wat heeft dat toe te voegen aan de sfeer van dood en rampspoed?

 

Dat was natuurlijk precies de bedoeling van Toguo, dat ik mijn hoofd zou breken op die emmertjes. En toen ik het begreep, was het kunstwerk nog mooier. Ook uit de dood groeit leven, als planten op een graf. De menselijke vitaliteit is onverwoestbaar, net als ons verlangen naar een beter leven. Carpe fucking Diem, voor het te laat is.

 

Een filmpje over Déluge. 


Lanzarote I

Lanzarote januari 2016
Lanzarote januari 2016

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------

Lanzarote is een Canarisch eiland van zwart vulkaangesteente. Een stenen vlot waar de zee tegenaan beukt en dat toch blijft waar het is.

De golven likken aan mijn benen en verzilten het papier. Dit eiland lijkt op de natuur die het omringt; zowel de zee als het land zijn grillig en wild en hebben de vorm van kolkende stromen, met het verschil dat het land bevroren beweging is, en de zee niets dan beweging.

Een kleine gestalte berijdt de golven. Het is haast ongelofelijk dat een mens zich in die vloeibare wildernis staande kan houden. Behendig duikt de surfer onder reusachtige omvallers door, speels glijdt hij over de stijle hellingen van azuurblauw water. Deze mens is de natuur de baas. Deze mens wel.

Mijn gedachten dwalen af naar de menselijke pogingen om de natuur bij te sturen. Twee graden zeiden ze eind vorig jaar in Parijs, twee graden en niet meer. De mannen en vrouwen hebben er dagenlang over vergaderd en presenteerden trots op hun resoluties.

Terwijl ik uitkijk over zee vraag ik me af: wat zou José Saramago, de schrijver-eilandbewoner, ervan denken? Hij zou er schamper om moeten lachen. Hij zou de hoop koesteren dat de mens inventief genoeg is om het tij te keren.

Hij zou hoe dan ook een weergaloos boek schrijven over de eeuwige macht van de natuur.