Lola

Ze strijkt langs mijn been en slaat haar ogen naar me op. ‘Miauw.' Ik lach vertederd, pak de emmer brokjes uit het keukenkastje en schep met het porseleinen kopje één dagrantsoen in haar bakje. Enthousiast duwt ze haar kop nogmaals zijwaarts tegen mijn enkel, staart omhoog. Ik pak haar op. Ze laat zich luid spinnend vasthouden, vleit zich tegen me aan en laat zich dan weer achterover in mijn armen vallen. Haar snoet is nat geworden van het spinnen en glinstert in het licht van de keukenlamp. Ik observeer haar geamuseerd en denk bij mezelf: twaalf jaar. Twaalf jaar is ze, en elf jaar bij mij. De deken van wit haar die ze op mijn zwarte shirt achterlaat neem ik voor lief.

 

René Descartes zag dieren als kleine machines, zonder een ziel, want die was slechts voorbehouden aan mensen. Nu had Descartes het wel vaker mis – dat harde onderscheid tussen lichaam en geest heeft ons ook weinig goed gedaan – en hierbij slaat hij wederom een flater. Dieren machines? Niets is minder waar. René heeft duidelijk nooit een huisdier gehad. Wie jaren met een dier leeft weet dat dieren net zo nukkig, blij, in zichzelf gekeerd of losgeslagen kunnen zijn als mensen, ieder individueel dier op zijn eigen manier. Zelfs Bonne, die nog maar een jaar de eer heeft om met Lola samen te wonen, merkte laatst op, toen ik thuiskwam na een dag archief: ‘Lola zat niet zo lekker in haar vel vandaag.’ Ik zag haar zitten in de tuin en herkende meteen het chagrijn. Maar net zo goed kan ze de hele dag lusteloos in een doos liggend de tijd verdrijven, of kopjes gevend en tevreden spinnend door het huis lopen, of is ze plotseling uren op pad, in de gang achter het huis en op muurtjes en daken. En bij elk van die karakteristieke gemoedstoestanden hoort een bepaalde gezichtsuitdrukking, een stand van de ogen die soms zo treffend is dat je in lachen uitbarst (want in het geval van Lola altijd in combinatie met die geprononceerde pindakaassnor).

 

Ze heeft daarnaast zelfs gezichtsuitdrukkingen voor gemoedstoestanden die geheel buiten haar belevingswereld liggen. Zo heb ik haar eens op een foto vastgelegd met een serieuze blik, ogen iets toegeknepen en leunend op haar rechterpoot, en je zou er donder op zeggen dat dit de blik is van de auteur van een groots oeuvre, zoveel intellectuele vanzelfsprekendheid straalt er vanaf. Maar ik geef toe, dat is projectie. Waarschijnlijk was ze in werkelijkheid gewoon een beetje slaperig, maar toch aandachtig, omdat er net een vliegje langs vloog, of omdat haar baasje voor haar op de grond lag met een groot zwart apparaat voor haar gezicht.

 

In ieder geval is het voor mij zonneklaar dat dieren, katten in het bijzonder, een geheel eigen persoonlijkheid en individueel gevoelsleven bezitten, met bijbehorende tics en voorkeuren. Zo ken ik een kater, Elvis genaamd, die na het geven van een kopje het liefst met zijn linker achterpoot op de punt van je schoen blijft staan, kennelijk om zich ervan te vergewissen dat de gelegde connectie nog even fysiek aanhoudt, of misschien is het een blijk van zijn verlatingsangst, of beide. De stokoude poes van een vriendin, die ik ken onder de naam José, maar die anderen Katjang, Kattie of Gizmo schijnen te noemen, ligt het liefst urenlang over haar baasjes heen te dweilen, vast in slaap, terwijl Lola zich opgelaten lijkt te voelen als ze zich op de benen of buik van een mens begeeft, onzekere stapjes makend en zich dan snel terugtrekkend naar betrouwbaarder terrein. Ze wil gedragen worden of ze wil naast je zitten, maar op je, dat gaat te ver. Dat doet me dan weer denken aan Ahmed, de zwarte kat van mijn ouders – R.I.P. – die weigerde uit een bakje te drinken; hij bliefde zijn water alleen rechtstreeks uit de kraan. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

Het was op het moment dat de vader van Jan Wolkers, tijdens het begraven van de lapjeskat die de kleine Jan zo vaak geaaid had, zei dat dieren niet in de hemel komen omdat ze geen ziel hebben, dat Jan definitief van zijn geloof viel. ‘Voorgoed knapte er iets in me. (…) Dieren geen ziel! Dan hadden ze nooit goed in de ogen van mijn kat gekeken.’ Zo is het.